In 2023 eindigde ik als tweede in de Realmag Essayprijs. Omdat het essay niet meer op de site is te lezen (de link werkt niet), kun je onderstaand het essay dat ik instuurde lezen. Het is een ingekorte versie van een essay dat ik in het eerste jaar van de Schrijversvakschool schreef.
Ik en niet-ik
Voor haar tachtigste verjaardag nam ik mijn moeder mee naar haar geboortestad Bremen. We wandelden door het Bürgerpark, waar een vrouw met veelkleurige sjaals en drie kleine hondjes aan dunne lijnen een gesprek met ons aanknoopte. Ze vroeg niet aan mij, maar aan mijn moeder: Sind Sie Holländerin? Mijn moeder schrok zichtbaar van die vraag en ontkende vertwijfeld. Het had haar geraakt. Hier in haar geboortestad, waar ze tot haar vijfentwintigste had gewoond, was ze een vreemdeling geworden doordat ze de taal niet meer accentloos sprak. Haar Nederlands was altijd goed geweest, maar niet accentloos en nu gold hetzelfde voor haar Duits. Later die dag wilden we een paar schoenen kopen en telkens weer begon mijn moeder in het Nederlands te praten tegen de verkoper. Ze was haar moedertaal kwijtgeraakt en was in geen enkele taal meer thuis. Een buitenstaander in beide landen, in beide talen.
Ik groeide op in Nederland. Thuis spraken we Nederlands, maar als ‘opa-en-oma-Bremen’ er waren spraken we Duits. Voor mij betekende opgroeien met twee talen een verrijking. Het is geweldig om van kleins af aan het spel van de taal te kunnen aanraken en voelen, te kunnen praten, lezen en denken in twee talen. Een andere taal geeft een ander perspectief, een andere richting. Misschien dat om die reden de in 2014 verschenen debuutroman van Katja Petrovskaja me zo boeide. Ze schreef die in het Duits, terwijl het Russisch haar moedertaal is. Een moedige keuze én een interessante. Vielleicht Esther gaat over de geschiedenis van Petrovskajas Russisch-Joodse familie, in Polen, Rusland en Kiev, waarvan slechts enkelen het stalinisme en het nazisme van de twintigste eeuw overleefden. Ze schreef in een taal die ze niet volledig beheerst, de taal van een vijand en de taal van het land waar ze nu woont.
Mijn moeder kwam eind jaren vijftig naar Nederland en vond er nooit volledige aansluiting. Dat was onder meer vanwege, in haar ogen, rare Nederlandse gewoontes zoals voortdurend bij elkaar ‘op de koffie gaan’ (met één koekje), de liters melk die werden gedronken, stamppot met vette jus, Sinterklaas en ga zo maar door. Maar voor een echte aansluiting in Nederland was haar taal misschien de belangrijkste barrière. De taal waarmee ze was opgegroeid, waarin ze dacht en droomde, was in haar nieuwe thuisland de taal van de vijand. Er was een diepgeworteld vijandbeeld ten aanzien van Duitsers en hun taal. Dat maakte erbij horen niet eenvoudig.
Een van mijn eerste herinneringen aan dat vijandbeeld betreft een juf op school, ik was acht jaar. Bij het verlaten van de klas en ten overstaan van klasgenoten viel deze juf me verbaal aan om het feit dat mijn moeder afkomstig is uit Duitsland. Ik wist niet hoe ik moest reageren. Ik reageerde niet, want ik snapte het niet. De Tweede Wereldoorlog leefde sterker dan nu; de meeste volwassenen van toen hadden deze periode bewust meegemaakt. Ik was me daar op dat moment nog niet van bewust. Mijn ouders hadden mij nooit een vijandbeeld bijgebracht, in tegenstelling tot veel mensen om ons heen, die van jongs af aan leerden dat geen enkele Duitser deugt. Thuis vertelde ik het verhaal van de boze juf en mijn ouders legden me uit dat veel Nederlanders een fikse hekel aan Duitsers hebben door wat zij of hun ouders of grootouders in de oorlog hadden meegemaakt. Het was nog steeds moeilijk te begrijpen voor mij. Het beangstigde me en tegelijkertijd gaf het me een gevoel van schaamte. Hoorde ik deels bij een volk dat slecht was? Nog jaren daarna, ik denk tot ongeveer mijn dertiende, heb ik verzwegen dat ik half Duits ben en in Nederland gedaan of ik de taal niet sprak, terwijl het zo’n mooie, rijke taal is. Maar ik wilde niet bij de daders horen.
Bij Petrovskaja gebeurde het tegenovergestelde. In een interview zei ze dat ze in het Duits had geschreven om het slachtofferschap te vermijden. Met het gebruik van de Duitse taal veranderde ze van ‘kamp’, waarbij het haar erom ging dat iedereen zich zou kunnen identificeren met de geschiedenis die in Vielleicht Esther wordt beschreven, een specifieke geschiedenis die ook algemeen is, want in familieverhalen toont zich de geschiedenis. Een slimme en goedgekozen vorm, om afstand te kunnen nemen van gebeurtenissen die te pijnlijk zijn om in je eigen taal te beschrijven. Ze maakte van zichzelf de ander. Ze beschrijft hoe in haar familie nooit werd gesproken over de pijn van de joden, want dat waren ze zelf. In plaats daarvan werd er gesproken over de pijn van anderen, omdat de identificatie daarmee minder pijnlijk is. Andersom gebeurde dat ook. Daarover schrijft Petrovskaja: ‘(…) deze slachtoffers werden gewoonlijk joden genoemd, maar velen bedoelden daarmee enkel de anderen. Dat is misleidend, want zij die moesten sterven, waren niet de anderen, maar schoolvrienden, kinderen van de binnenplaats, buren, oma’s en ooms, bijbelse grijsaards en hun sovjetkleinkinderen (…).’
In de jaren na het incident met de juf, leerde ik de oorlogsverhalen van mijn familie kennen. Mijn Nederlandse vader en zijn familie vertelden over de Hongerwinter in Amsterdam, het eten van bloembollen en over de houten traptreden die ’s nachts vanachter de voordeur werden gestolen om vuur te kunnen maken. Mijn Duitse moeder en haar ouders vertelden over de communistische oom die in de jaren dertig in een kamp had gezeten, de meer dan wekelijkse bombardementen op Bremen aan het eind van de oorlog waarbij zij hun huis en al hun bezittingen kwijtraakten, de schaamte voor hun land. Door al deze verhalen van verschillende kanten van een geschiedenis, was ik niet goed in staat om voor het gemak een scherpe scheiding te maken tussen helden en slechteriken, de Nederlanders en de Duitsers, wij en zij. Misschien had dat ook met taal te maken, het feit dat ik beide talen sprak en begreep. Definieert taal een mens, zodat je door een andere taal te spreken of door in een andere taal te schrijven, je automatisch van kant wisselt en een ander wordt? Petrovskaja zegt daarover dat wanneer je in een andere taal schrijft, je ik en niet-ik tegelijkertijd bent. Er gebeurt daar iets, zegt ze. Ik denk dat hetzelfde gebeurt wanneer je leeft in een andere taal. En ik denk dat de niet-ik de buitenstaander is.
Mijn moeder verloor haar taal, haar ik en heeft nu alleen nog haar niet-ik. Het Duits is niet meer haar taal. Het Nederlands moet dat nu zijn. Ze drukt zich prima uit in deze tweede taal, die lijkt op het Duits. Ze droomt al decennia in het Nederlands, denkt in het Nederlands. Als ze zou vloeken, zou ze dat doen in het Nederlands. Ik weet niet of ze zich in het Duits beter zou kunnen uitdrukken, ik weet wel dat ze zich niet goed begrepen voelt en ik kan me voorstellen dat dat voor veel mensen geldt die niet leven in hun moedertaal.
Wie de moedertaal verliest, verliest houvast, raakt richting kwijt en voelt nog maar nauwelijks bodem onder de voeten. Het lot van honderden miljoenen migranten. Een lot dat de mensen opdeelt in ik en niet-ik, waarbij de niet-ik de ander is. En de ander dat ben je zelf. Omdat je nooit thuis bent, altijd te gast, altijd moet laten zien dat je niet anders bent en er altijd op gewezen wordt dat je dat wel bent.
Mijn moeders familienaam was overigens Anders.
